Gloeibougies
De werkslag van een dieselmotor komt in principe overeen met die van een Ottomotor. Voor het ontbranden van het lucht-brandstof mengsel zijn hier echter geen bougies nodig.
De reden: Dieselmotoren zijn zelfontstekers. De omgevingslucht wordt aangezogen en in de cilinders bijzonder sterk verdicht. De verdichtingsverhouding bedraagt hierbij wel 25:1.
Door deze verdichting bereikt de aangezogen lucht een temperatuur tussen de 700 en 900 °C. Als brandstof toegevoegd wordt, ontbrandt deze door de grote hitte.
Het voorgloeien
Voor een betrouwbare koude start, ook bij lage buitentemperaturen, zijn dieselmotoren op de hulp van gloeibougies aangewezen.
De reden: Bij de start zijn de cilinders en de motor sterk afgekoeld. Ze onttrekken nog eens extra energie aan de toch al koude omgevingslucht. Door de lucht te verdichten wordt de temperatuur die noodzakelijk is voor een zelfontbranding, niet meer bereikt.
Nu komt de gloeibougie aan bod. De bougie is in de cilinderkop vastgeschroefd. De gloeibuis van de bougie komt tot in de verbrandingsruimte en wordt, afhankelijk van de gloeibougie, tot meer dan 1000 °C verhit, zodra er stroom doorheen vloeit. Zo wordt ook de verbrandingsruimte door de bougie verhit.
Dit proces vindt voor de eigenlijke start van de motor plaats en wordt ook wel "voorgloeien" genoemd.



